Nadat de lichtpaarskortgebroekte
grijsaard zich uit de voeten had gemaakt, vroeg mijn verlosser: "Waar ken
ik u ergens van?", terwijl Van der Blaf, van de éénmetervijftigregel geen weet, hartstochtelijke pogingen deed om,
waarschijnlijk vanwege de vleeslucht, bij hem in het gevlei te komen door tegen
hem op te springen en zijn schoenen te likken, "Bent u klant in mijn
slagerij?" "Nee, ik was ooit lid van "Wilt heden nu
treden", antwoordde ik. "Aha, ik dacht ik ken dat gezicht, maar dat
is inmiddels toch wel vier jaar geleden, want "Wilt heden nu treden"
bestaat al vier jaar niet meer en is omgevormd tot het shantykoor 'Op de
woelige baren'. Maar waar ging de ruzie met die man daarnet nou eigenlijk
om?" "Hij zei dat ik Van der Blafs drolletjes niet had
opgeruimd terwijl ik altijd zakjes bij me heb, hij was in hondenpoep getrapt
maar die kon onmogelijk van mij zijn, want ik ruim na Van der Blaf altijd
keurig netjes op." "Kortom een zeikerd dus. Kom, ik weet een mogelijkheid om een
kopje koffie, al is het in een kartonnen bekertje, te bemachtigen om de ellende te vergeten." En zo zat ik tien minuten
later op anderhalve meter afstand van hem op een bankje in de Jacobus Fontanelstraat met slager Bakker, ik heb die naam altijd heel verwarrend gevonden en me
afgevraagd of er ook een bakker Slager bestond, aan de cappuccino.
"Maar
laat ik me eerst even voorstellen. De naam is Bart Bakker, slager, ik zeg dat
laatste er altijd even bij want anders denken de mensen nog dat ik de grote man
ben achter Bakker Bart enne hahaha, dat ben ik niet!" "Giselda Botermelk, aangenaam", zei ik.
Er passeerden een drietal luidruchtige groepjes van helmpjes voorziene zogenaamde wielrenners, terwijl Van der Blaf niet van 's mans schoenen was weg te slaan. "Hij vindt me klaarblijkelijk aardig!", zei Bart Slager, bakker, o nee, het is precies andersom. "De liefde gaat bij Van de Blaf door de maag", zei ik, hij ruikt dat u met vlees omgaat, maar dat krijgt hij nooit, ik geef hem altijd brokjes, hondenbrokjes, dat schijnt veel beter te zijn." "Dat weet ik nog zo net niet, een hond stamt af van de wolf en ik heb nog nooit van een brokjestetende wolf gehoord", ze Bart Bakker, slager terwijl hij een sigaartje opstak. Ik zag dat hij hetzelfde merk rookte dat Cor mijn man. die vijf jaar geleden gecremeerd is, rookte. Waar moet een mens het over hebben als zij zomaar, met een vreemde man op de koffie komt, ik vond dat Van der Blaf nou maar eens op moest houden 's mans voeten te likken, maar Bart Bakker, slager scheen het niet erg te vinden, misschien was hij het wel gewend, dus ik vroeg "Hebt u een hond?' Nee, die had hij niet, hij had er wel een gehad toen zijn vrouw nog leefde maar een hond was te bewerkelijk voor een man alleen die ook nog een zaak had, al had hij wel vandaag zijn vrije dag. "Wat voor hond had U?" vroeg ik, dat leek mijn namelijk een goede vraag om het gesprek gaande te houden. "We hadden er twee. Chows. Want chows moet je altijd met meer nemen, die hebben gezelschap van elkaar nodig." "Dat is een hele hand vol", zei ik, "en ze vragen nog veel onderhoud ook en behoorlijk grote poepzakken", voegde ik er aan toe. "Ach, daar werd zo'n tien jaar geleden nog niet zo opgelet, hondenstront is pas de laatste jaren echt een issue geworden, niet dat honden vroeger niet poepten, maar toch, het heeft allemaal met elkaar te maken, vroeger liep iedereen in het dorp op klompen en die trok je bij de deur uit, dus er kwam nooit hondenstront op het tapijt." Daar had Bart Bakker, slager een punt en ik zei "Het komt ook doordat mensen uit de stad hier zijn komen wonen, die zeuren graag, maar ja, ik geef ze uiteindelijk toch wel gelijk, ik ruim Van der Blafs drolletjes altijd op", terwijl ik een slokje koffie nam.
Er passeerden een drietal luidruchtige groepjes van helmpjes voorziene zogenaamde wielrenners, terwijl Van der Blaf niet van 's mans schoenen was weg te slaan. "Hij vindt me klaarblijkelijk aardig!", zei Bart Slager, bakker, o nee, het is precies andersom. "De liefde gaat bij Van de Blaf door de maag", zei ik, hij ruikt dat u met vlees omgaat, maar dat krijgt hij nooit, ik geef hem altijd brokjes, hondenbrokjes, dat schijnt veel beter te zijn." "Dat weet ik nog zo net niet, een hond stamt af van de wolf en ik heb nog nooit van een brokjestetende wolf gehoord", ze Bart Bakker, slager terwijl hij een sigaartje opstak. Ik zag dat hij hetzelfde merk rookte dat Cor mijn man. die vijf jaar geleden gecremeerd is, rookte. Waar moet een mens het over hebben als zij zomaar, met een vreemde man op de koffie komt, ik vond dat Van der Blaf nou maar eens op moest houden 's mans voeten te likken, maar Bart Bakker, slager scheen het niet erg te vinden, misschien was hij het wel gewend, dus ik vroeg "Hebt u een hond?' Nee, die had hij niet, hij had er wel een gehad toen zijn vrouw nog leefde maar een hond was te bewerkelijk voor een man alleen die ook nog een zaak had, al had hij wel vandaag zijn vrije dag. "Wat voor hond had U?" vroeg ik, dat leek mijn namelijk een goede vraag om het gesprek gaande te houden. "We hadden er twee. Chows. Want chows moet je altijd met meer nemen, die hebben gezelschap van elkaar nodig." "Dat is een hele hand vol", zei ik, "en ze vragen nog veel onderhoud ook en behoorlijk grote poepzakken", voegde ik er aan toe. "Ach, daar werd zo'n tien jaar geleden nog niet zo opgelet, hondenstront is pas de laatste jaren echt een issue geworden, niet dat honden vroeger niet poepten, maar toch, het heeft allemaal met elkaar te maken, vroeger liep iedereen in het dorp op klompen en die trok je bij de deur uit, dus er kwam nooit hondenstront op het tapijt." Daar had Bart Bakker, slager een punt en ik zei "Het komt ook doordat mensen uit de stad hier zijn komen wonen, die zeuren graag, maar ja, ik geef ze uiteindelijk toch wel gelijk, ik ruim Van der Blafs drolletjes altijd op", terwijl ik een slokje koffie nam.
Giselda Botermelk-van Assen