Zonder enige twijfel een van de grootste flamencodanseressen van de
twintigste eeuw: Carmen Amaya. Haar vader, een professioneel gitarist
nam haar heel jong mee naar de kroegen waar hij optrad en op vijfjarige
leeftijd oogstte Carmen al applaus van het publiek. Toen ze zestien was
stond ze op een podium voor duizenden enthousiaste kijkers tijdens de de
wereldtentoonstelling in 1929 in Barcelona. Ze trok naar Parijs en in
1942 beleefde ze haar eerste triomfen in New York, waarna ze in
Hollywood in een aantal films optrad. In 1948 was ze terug in Parijs,
waar Jean Cocteau over haar schreef:
"Carmen Amaya is als de
hagel op een ruit, de roep van een zwaluw, het dunne sigaartje tussen de
lippen van een dromende vrouw, een onweer van applaus. Wanneer zij en
haar familie naar een stad komen jagen ze de lelijkheid, de stijfheid en
de verveling op de vlucht, zoals een zwerm insecten de bladeren van een
boom opvreet. Sinds Serge Diaghilevs Ballet Russe hebben we een
dergelijk spektakel niet meer meegemaakt".
