13.12.16

Voiture XXVII

 Voitures van de CIWL getrokken door een "Pacific" van de Nord: een restauratie-, een slaap- en een bagagerijtuig, alle drie gebouwd in een tijdperk dat hout de voornaamste bouwstof was van de carrosserie.

1948 VI

Ook de gerenommeerde autohuizen stonden op de Parijse Salon, er was weliswaar niet veel nieuws onder de motorkap maar de grote carrossiers trachten in deze schrale tijd elkaar naar de kroon te steken, zo kleedde Saoutchik bovenstaande Talbot T.26 GS aan. De motor was een zescylinder in lijn met een inhoud van 4,5 liter, gevoed door twee Zénith-Strombergcarburateurs. Jacques Saoutchik - eigenlijk Iakov Savtchuk - werd geboren Minsk, maar vluchtte in 1899 wegens de voortdurende pogroms in Rusland in 1899 naar Parijs, waar hij werk vond als meubelmaker. Omdat er dan nog veel hout verwerkt wordt in automobielen ging hij in die sector aan de slag, bouwde op het chassis van een Isotta-Fraschini een wagen die de aandacht van een rijke clientele trok en Saoutchik werd carrossier en maakte niet alleen in Frankrijk maar ook in de Verenigde Staten naam. Hispano-Suiza-, Rolls-Royce- en Mercedes-Benzchassis werden door hem in een uiterst chique jasje gestoken. Tijdens de voor de Tweede Wereldoorlog populaire concourses d'élégance won Saoutchik veel prijzen. Satouchik stierf in 1954, een jaar later sloot het bedrijf zijn poorten.

12.12.16

Voiture XXVI

 Er kwamen in 1919 zo'n zestigtal oudere, Duitse rijtuigen zonder gangpad - gebouwd tussen 1888 en 1902 - naar de Étatcompagnie, tien ervan waren derdeklasserijtuigen met zes dan wel zeven  coupé's.

Attje

Gistermiddag hoorde ik het weer: de Friese voornaam Attje verkeerd uitgesproken, sinds Keulen-Deelstra hebben ze er in Hilversum niets bijgeleerd. John wordt netjes als Dzjon gelezen en niet als Ion en zelfs Erdoğan komt het nieuwslezendvolkje goed uit de strot,  maar met Attje (en trouwens ook met Rintje) hebben ze moeite. Ik begrijp dat niet zo goed want Atsje moet toch, zelfs voor de grootste onbenul, geen probleem zijn  

1948 V

Peugeot werkte sinds 1940 aan opvolgers van de 02-serie, maar uiteindelijk werd tijdens de oorlog besloten alleen voor het project van een nazaat van de 202  te gaan. In 1947 verschenen de eerste foto's van de 203 en in 1948 stond de wagen op  de Parijse Salon. De eerste jaren na de oorlog bleef de 202 leverbaar, de naoorlogse auto's van dat type zijn het gemakkelijkst te herkennen aan het ontbreken van de gestileerde leeuwen op de spatschermen die de achterwielen afdichten. De auto linksboven is dus duidelijk van voor de Tweede Wereldoorlog. Peugeot fabriceerde in het eerste half jaar van 1941 een electrisch autootje, de VLV, in 377 exemplaren. De 203 was in alle opzichten een moderne auto, hij had een viercylinderkopklepmotor met een inhoud van 1290 cc en een vierversnellingsbak. De 203 was vanaf januari 1949 leverbaar in één versie: een  sedan met openschuifbaar dak, de prijs lag 100000 Fr.frs boven die van die 202, dat  was slordig berekend ongeveer een kwart van de prijs van het autootje met de koplampen achter de grille.

11.12.16

Voiture XXV

Een AB-rijtuig van de PLM, aan de uiteinden de eerste klassecoupé's in donkerrood, in het midden  de tweede klassecoupé's in geel. Het moet een schitterend gezicht geweest zijn om zo'n veelkleurige PLM-trein op het Parijse Gare de Lyon te zien binnenstomen. Wie trouwens de wachtkamer van dat station nog nooit van binnen heeft bekeken heeft iets gemist, je wordt gecontfronteerd met de grandeur van meer dan een eeuw geleden. 
Fransen hielden van hun treinen en ze werden veelvuldig bezongen. Lucien Boyer zong over de expresse naar Normandië, het kleine regionale treintje was onderwerp voor een musette-orkest, grootmoeder die overwegwachter was, werd bezongen door Mireille  en zelfs Alice Dona had een liedje over de spoorwegen op haar repertoire: "Mon train de banlieu".

1948 IV

Citroën was met de 2CV trouwens niet de eerste Franse fabriek die na de oorlog met iets nieuws op de Parijse Salon stond, die andere grote fabriek, Renault had een jaar eerder zijn "4" tentoongesteld. Het in het geheim gebouwde prototype dateerde uit december 1942 (links op de foto), maar was al vanaf eind 1940 in ontwikkeling. Er volgde een tweede model, maar ook daarvan werd de vorm  verworpen, ook omdat de eerste naoorlogse directeur van de fabriek, Pierre Lefaucheux, een vierdeursauto wilde. In 1945 werd de auto in Afrika intensief aan de tand gevoeld en op 26 september 1947 werd de "4" aan de pers voorgesteld. De eerste exemplaren waren, op een enkele zwarte uitzondering na, allemaal in het bruiniggeel van Rommels Afrikakorps omdat de fabriek daar nog een flinke voorraad van had, maar toen die afgeleverd werden was het al augustus 1947.  De "4" had een viercylindermotor met een inhoud van 760 cc en een drieversnellingsbak.