6.4.24

Drentse Poëzie 2

De anti-paapse uitspraak van Wommert Lammerdam leidde niet alleen tot een verwijdering tussen Jochem Kneuterding, maar zelfs tot een felle woordenwisseling met uitgever Knillis Frommertst, die als katholiek een eerdere uitspraak van Lammerdam niet vergeten was toen deze op een overigens buitengewoon gezellig partijtje uitgeroepen had dat hij maar één kruis kende en dat was het Hoevelakener kruis en dat had hij ook nog met een pseudo-Duitsaccent uitgesproken als Hövelachener Kreuz. Maar na "gehostificeerd wijwatergeneuzel" leek  het tussen Frommertst en Lammerdam niet meer goed te komen en zou een speciaal "In memoriam Tankubert Aspartaam of de Drentse dichter Joris Soekaboemser", waaraan Lammerdam zou meewerken niet verschijnen. Lammerdams vriendin Lubbertje Busselsap deed nog  een poging tot bemiddeling en vertelde Frommertst dat acht à negen citroentjes met suiker zoals gewoonlijk de oorzaak waren van Lammerdams anti-religieuze opmerking. Lubbertje vermeed angstvallig de woorden  anti-paaps, want zij wist hoe gevoelig die lagen bij het voormalig Asser misdienaartje. Uiteindelijk verscheen in november 1948 het in eigen beheer en door drukkerij EMMERINKT in Emmen gedrukte bundeltje "Drentse Chromozonen", waarin poëzie van en een memoriam voor Joris Soekaboemser(Tankubert Aspartaam), een prozastuk van Jochem Kneuterding met de titel "Hej dr ien om heide plukn" en een tiental gedichten van Wommert Lammerdam. waarin hij  afwisselend citroen- en bessenjenever met suiker bezingt. De inleiding werd geschreven door ene drs. Victor van Brenthen, vermoedelijk een pseudoniem, de echte naam van de schrijver, die Joris Soekaboemser een groot, maar nog nog niet volledig ontloken, talent noemt, heb ik helaas niet kunnen achterhalen. Zowel Kneuterding als Lammerdam hebben serieuze pogingen in  het werk gesteld de volledige oplage (250 exemplaren) te slijten - hebben daarvoor zelfs Garmt Stuiveling ingeschakeld - maar dat schijnt niet gelukt te zijn, dat is bijzonder jammer, maar aan de andere kant is daardoor de prijs van "Drentse Chromozonen" omhoog  geschoten. Prijs u gelukkig wanneer  u een exemplaar in uw boekenkast hebt staan. Het zou tot 1968 duren voordat er opnieuw leven in de Drentse poëzie viel te constateren, in dat jaar begon  de uit Bronnegerveen afkomstige  Godfried Blasfemicius in Assen onder de naam "De Rammenasser" een nieuw kwartaalblad met niet alleen gedichten van zijn hand maar ook met  een overzicht van de Drentse dichtkunst door de eeuwen heen, beginnend met Gert van Garm, bijgenaamd de Schonkige die in 1530 o.a. in Anderen woonachtig was. Van hem zijn slechts een paar regels bewaard gebleven: "Ick Gert bynaemen de Sconcken, zeune mynes vaders Garm, scryf deze Eexterregelen. Hoe scoon is het Eexterveld by nachte, men solde sulks niet verwachte, so stil, so suver, dat ick huver en ick myne boks ophys opdatte ik nyt over myne klomppekens pys." Blasfemicius zelf moeten we in de hoek van de experimentelen zoeken, hij is typisch een kind van zijn tijd, zo citeert hij in het tweede nummer van "De Rammenasser", dat uitkwam bij uitgeverij Broekhoest in Orvelte, vijftien bladzijden uit het Asser telefoonboek onder de naam "Het Opgetuigde TuigGodfried Blasfemicius zocht verscheidene keren contact met wat hij "de Amsterdamse sien" noemde. Omdat hij geen adressen wist van vooraanstaande literatoren in de hoofdstad, was hij op zijn Berini gestapt en had een aantal  café's rond het Leidseplein bezocht. Hij had zelfs een keer op zondagochtend, nadat hij de nacht had doorgebracht in het Vondelpark, om elf uur een kop koffie gedronken in Americain in de hoop Harry Mulisch te ontmoeten, maar spijtig genoeg was dat niet gebeurd en was hij onverrichterzake op de Berini naar Drenthe teruggereden, onderweg had hij een paar keer gevloekt: "Mulisch Foolish" en in De Rammenasser had hij een prozastuk, waarin hij nogal vrijmoedig omsprong met  de waarheid, gepubliceerd over zijn mislukte escapade. Meer succes had Blasfemicius  met het vinden  van  een Drentse gelijkgezinde, Sjabbe Hoveling uit Achter 't Hout die in het voorjaar van 1969 "De Godverdommegezangen Opus 11" in Eexterzandvoort voordroeg in het bovenzaaltje van cafë "Stuypjens”. Tot grote vreugde van Godfried Blasfemicius wist hij in mei 1969 Bernhardt-Frohderick von Tullepen zu Totha uit het nog  geen tien kilometer over  de Drentse grens gelegen Neppenkamp over te halen een bijdrage te leveren aan "De Rammenasser". Een prozastuk in het Duits over het Tausend Schrittmoor, dat in de folklore van Neppenkamp een voorname rol speelde en in feite nog steeds speelt. Blasfemicius had aan de linkerzijde het origineel Von Tullepen zu Totha opgenomen en aan de rechterzijde zijn vertaling, die hij vervolgens had ingestuurd aan de commissie "Übersetzungen" aan de leerstoel Nederlands van de universiteit van Münster om zodoende een financiële ondersteuning in de wacht te kunnen slepen, helaas werd zijn aanvraag om onduidelijke redenen afgewezen, terwijl hij toch al de  benodigde papieren in zevenvoud had meegestuurd. Pas jaren later ontdekte hij dat Von Tullepen zu Totha een groot deel van "Tausend Schritte und Mehr" had overgeschreven en dat het origineel in 1784 in Rütenbrock was verschenen van de hand van Jeremias Übelmacher. Hij had er Von  Tullepen zu Totha graag op aangesproken, maar die was acht jaar eerder bij een verkeersongeval om het leven gekomen.