4.4.24

Fiechemann

 


DOKTOR FIECHEMANNS LAATSTE DAG


Dr. Dr. Norbert E. Fiechemann lag al weken op zijn dodesbed. Hij had zijn leven verscheidene malen van voorne naar hinden en van hinden naar voorne overdacht. Hij had lang stil gestanden hoe hij tijdens de krijg führerore had gemaakt door een methode te ervinden om uit kartoffelschalen benzine te maken, zodat de krachtwagens voor de zege konden blijven varen. Hij had daarvoor een kruis ontvangen, dat hij tot lang na de krijg bij ontvangsten op de universiteit was blijven dragen. In de zestiger jaren was hij daarmee opgehoord, nadat studenten hem hadden belastigd. Zijn eigen studententijd vertegenwoordigde hij ook nog klaar. De schone jaren in de slaande verbinding, maar ook de schaamvolle tijdafsnede wanneer zijn beste vriend Heinz hem had getapt met een truthen en hoe hij daarna van unie had wisselen moeten omdat iederman hem de pornitholoog noemde.

In zijn studententijd had Fiechemann geen ambitionen gehad naar een universitaire loopbaan, hij prefereerde een baan in het waardschapsleven en werd kort na afronding van zijn studie directieplaatsvertrapper van een twijgnederlating van een kartoffelverarbeidingswerk in Weimar. Hij had behalve in zijn arbeid veel vergenoegen ondervonden aan de academische atmosfeer in dat oord. Weimar was aan het laatste eind de stad van Schiller en Goethe. Hij was meeglijder geworden van een krijs, die zich beschafte met het Duitsnationalistische gedachtengoed aan het eind van het achttiende jaarhonderd. Hij dacht met groot vergenoegen aan de discussies onder de voering van SS-Stormbandvoerder Alois Himmler (geen verwantschap met Heinrich) terug. In 1940 was de krijs opgelost, te veel meeglijders waren naar het front afgetrokken. De krijg had een jaar voorhier aangevangen.

Omdat hij directieplaatsvertrapper was in een gewerft dat zich zowel beschaftigde met nering wie met nieuwe aanwendingen in bereik van de kartoffeltucht werd Fiechemann niet in de weermacht ingetrokken en werd hem van de wegen actieve krijgsdienst gespaard. Wanneer tegen krijgseinde de Russen Weimar naderden ontsloot hij terug te keren naar Baden-Baden, zijn vaderstad, waar hij geboren en opgetrokken was. Tesamen met zijn echtgenotin Isolde en zijn twee zonen Heinz, genoemd naar grootvader van vaderszijde en Ernst, genoemd naar grootvader van moederszijde, zette hij zich naar het westen af. Het duurde niet lang of hij ontving een aanvraag om aan de universiteit een leerstoel te vervullen en hij kon zich Professor Doktor Doktor noemen. De voorkrijgs-DKW werd omgedoken in een Borgward, waaraan de familie zeer veel vergenoegen beleefde: zij voeren naar Oosterrijk en naar Denenmark.

Wat Norbert E. Fiechemann aan het eind van zijn leven het slimst vond, dat hij zichzelf nu al enige jaren niet meer zuiver houden kon, zijn sluitmossel had verzegd. Hij had zich na de dood van Isolde opnemen laten in een oudersthuis. Ooft bedacht hij wat slimmer was: de verzegging van het lijf of de verzegging van de kop. Menigmaal dacht hij dat dementering aan het laatste eind de beste lozing was, dat was voor zijn nawas, voor Heinz en Ernst, niet schoon, maar voor hem die de gruwzame demoediging van zelfbesmetting moest beleven, beter. Alzo tweevaak "scheit" en hij lachelde mat.

Fiechemann had al zijn boeken verkopen moeten en van enige geestige uitvordering was in dit oudersthuis geen rede, de meeste inwoners zaten vanaf morgens tot avonds sabbelend op hun maaltijd te wachten en verwierde luiden uit te stoten, wie: "Vroegstuk, njamnjam, vroegstuk, het wordt bald tijd". Om zich vervolgens met kunststof (ijzen was strengstens verboden) gaffel op het boterbrood te storten. Hij haatte de gemeenzame maaltijden, maar de direktorin, een geweten vrouw Ursula Daimler geboren Benz was vast ontsloten dat de inwoners gemeenzaam eten zouden. Zo kwam het dat Fiechemann vrouw Theodora Ochuss tegenover zitten moest, die een ernste slagaanval gehad had, waardoor ze haar mond niet meer sluiten kon en hij iedere broodkruimel tot het tapje volgen kon.
Fiechemann had vrouwdirektorin Daimler bereeds mannigmaal gebeden om een ander stel aan de dis, dan vrouw Ochuss vernietigde zijn appetiet, zeker de laatste maand. Zij reed hem tijd kort aan met “mijn stiertje”, openbaar dacht ze in hem haar echtmalige echtgenoot te erkennen. Andere inwoners volgden haar, het ganse huize reed hem nu aan met “mijn stiertje”. Het maakte hem verrukt. Nieuwelijks had hij vrouwdirektorin vast op de knieën gebeden hem ergenswaar anders heen te stellen. Immer opnieuw was haar antwoord dat het de inwoners nutte aan rust en regelmatigheid en dat hij dat als een van de kloegere inwoners dat toch inzien durfde. Het was verdomd nogmaal alsof hij weer kind was en van zijn vader hoorde dat hij, wie de oudste, doch de kloegste zijn durfde. Alle lust tot leven was hem ontvlogen, dat borduurde hij sluitelijk, maar daar konden zelfs de bemonterende gesprekken met de oudersthuisgeestelijke geen andering in brengen: hij mocht dood zijn. Weg van vrouw Daimler en vrouw Ochuss en weg van de schrikkelijke krankenzusters met hun grote rodelijke handen en hun te luide hetere stemmen,die immer vergaten hem op de gerechte aard en wijze aan te reden en hem deshalve het laatste beetje stol ontnamen, dat hem restte. Hij haaste ze ze immer meer, voor alles nu hij op de kleine krankenzaal lag en ze durend in zijn omgeving waren en het onmogelijk was hen ook maar een ogenblik te ontvliegen. Het geplapper over de verzienprogramma’s, hun verloofden, het kletsen over kranken en andere zusters kwam hem de hals heenuit.
In het bed neven hem lag sinds voorlaatste week Ludwig Eckerstein, openbaar een oude bekende van Theodora Ochuss, dan middags om slag drie laat zij zich naar de zijde van Eckersteins bedplaats varen om een stonde steunluiden te maken. Eckerstein is schoon jaren duif en hoort het weeklagen niet, maar openbaar hoort Fiechemann het daarom immer luider. Het gaat hem op de nerven, dit “Eeeuuuh, euheuheuh, eeeuuuh”, warend de spiegel van haar kin drupt. Fiechemann sluit zijn ogen en ontsluit te zingen: “Zwartbruin is de hazelnoot en zwarbruin ben ook ik”.
Sluitelijk schreit hij zo luid op, dat zuster Beate Heimer de zaal komt ingesneld om hem het muil te verbieden: “Houd U bloot op, heer Fiechemann, met Uw alarm. Dat geeft het ja niet, zulke tonen.”
“Wanneer U vrouw Ochus wegvaart hoor ik op met zingen.”
“ Eeeeeeeeuuuuuuuh”, klinkt Ochusses stem, onderdeze ligt Eckerstein duif te zijn.

“Zwartbruin moet mijn made zijn, graat zoals ik”, schreeuwt Fiechemann nu uit volle hals. "Beneemt U”, verzoekt Heimer, "het schijnt, U hebt niet alle tassen in de kast, heer Fiechemann.

“Eeeuuuh, eeeuh, eeuuh, eeuuh, eeeeuuuuh’”, toont Ochuss.
“Tassen in de kast? Tassen in de kast, om aan te vangen: voor U ben ik nog immer Professor Doktor Doktor Fiechemann, U..., U..., U, misgeraden geschep” en hij zingt verder: “Doevi doe doevi di ha ha ha.”
“Ogenblikkelijk ophoren U.”

“Made heeft mij de boezem gegeven, heeft mij zwaar gekrenkt, heb hem haar teruggegeven, ik wil ja niets geschenkt", en Fiechemann vangt opnieuw met de eerste strofe aan: “Zwartbruin is de hazelnoot, zwartbruin ben ook ik. En weet U waarom vrouw krankenpleegster Heimer? Omdat de hazelnoot, mijn made en ik niet de richtige zonnenbrandcreme benut hebben. Doevi doe doevi di ha ha ha”.

In dit ogenblik komt vrouw direktorin Daimler de krankenzaal heringeeild.

“Wat is loos, vrouw krankenpleegster Heimer?”

Maar de vraag gebruikte niet meer beantwoord te worden, want Fiechemann was intussen beland bij de derde strofe: “Made heeft geen hof noch huis, made heeft geen geld, maar ik geef haar niet uit, voor alles in de wereld, doevi doe, doevi di ha ha ha”. Het “ha ha ha” werd overtoond door een enorm “Eeeeeeeeuuuuuuuh” van Ochuss.

“Vaart U eerst Ochuss heenuit, vrouw krankenpleegster Heimer, dan grijpen we daarna Fiechemann aan.”

“Was zegt U daar, vrouw direktorin Daimler? Fiechemann? Fiechemann? Nog niet maal heer Fiechemann? Heeft U alle aanstaand verloren, voor U ben ik Heer Professor Doktor Doktor Fiechemann, acht U op de juiste aanredevorm. En welk ander woord hoorde ik U benutten: aangrijpen? Aangrijpen, U bent ja niet in de krijg, vrouw direktorin Daimler! Ik zing bloot een lied uit mijn kindheid, om me zelf op te heiteren, want op Uw lustigheid kan men lang wachten.”

Fiechemann slaat zijn dek met een tocht open steekt de naakte voeten in zijn huisschoenen.

“Ik ga voort. Ik bekom zat van de zaak hier en van U gans en gaar vrouw direktorin Daimler, U kunt zelfs geen kindertuin voeren, het veelt U aan iedere kapasiteit, U kunt me maal.”

“Dat gaat niet, U kunt niet zo maar daarvan lopen heer Professor....”
“Ach zo, meent U? Ik trek mijn kleding aan en vaar af. Ik ben genoeg vernedigd.”
Zingend vangt Fiegemann zijn slaapaantrek uit te trekken: “Kernig is die hazelnoot, kernig ben ook ik, als ik met iemand trouwen doe, zo moet zij zijn als ik, doevi doe doevi doe di ha ha ha...”. Hij steekt zijn blasé armen in zijn onderhemd, trekt het over zijn kop en pakt overhemd en krawat uit de schrank neven zijn bed. In dit ogenblik treedt ziekenzuster Heimer, naar lucht snappend, de zaal weer in.
“Vrouw Ochuss ligt heb ik in haar bed vastgesneld, ze komt voorlopig niet meer los."
Graat als Fiechemann zijn onderhoos aantrekken mocht en verzoekt op één been zijn gelijkgewicht te bewaren, slaan beide vrouwen toe en werken hem op de bodem.
“Nu zing je niet meer, oude geitebok, je lied is uit”, bijt Daimler hem toe en plaatst zich op zijn borstkorf.
“Haalt U de baar, vrouwkrankenzuster Heimer, dan transporteren we hem in de isoleercel.”
In dit moment geschiedt iets zonderbaars: Eckerstein, die schoon duif is, maar wie niets aan de ogen veelt, staat op van zijn bed en pakt vrouwdirektorin Daimler in haar genik en heft haar van de bodem op. Daimlers voeten bommelen tien centimeter van de vloer, wanneer hij ook Heimer grijpt en opheft zien Daimler en Heimer uit als poppen in een kasperspel.

Intussen heeft Fiechemanns sluitmossel weermaal verzegd en is zijn onderhoos ernst besmet geraden.

“Verdomd nog een maal”, vloekt hij, “zo kom ik niet vooraan.
Hij hompelt naar het wasbekken om zich zuiver te maken. Intussen slaat Eckerstein de koppen van de vrouwdirektorin en de krankenzuster tesamen. De wijfstukken schreien uit volle keel. De aard en wijze waarop Eckerstein het maakt, moet ook gruwzaam wee doen. Eckerstein grenst breed. Alles maakt zelfverstandelijk ontzettelijk alarm en blijft in het overige deel van het oudersthuis niet onopgemerkt zodat iederman die benen en raderen heeft zich in de deuropening drangt.

Het geeft een juichen en de enigste Italianer in het oudersthuis, Chammeretti begint even aan een aard van ringeldans.
“Kijk maal aan”, zegt hij wijzend op Fiechemann, nog immer bij het wasbekken, “hij heeft zich van reine vreugde bescheten, dat zouden wij alle maken, dan kunnen de plegerinnen eindelijk maal gerecht aan de arbeid, dan gebruiken ze zich niet langer te langwijlen.”

“Typisch wat voor een Italianer, zo een bemerking”, denkt Fiechemann, die een zuivere onderhoos aantrekt.
“Ik vaar af”, zegt hij, “iemand, die lust heeft met mij op de wandelschaft te gaan?”

“Vrouw Ochuss wellicht, die mocht gaarne dicht bij U, haar stiertje, zijn”, wendt Chammeretti in.

De koppen van vrouwdirektorin Daimler en krankenzuster Heimer zijn gans bloedig, vrouwdirektorin veelt zelfs enige tenen, wanneer sluitelijk de andere krankenzusters, die graat aan de koffieklets waren, heeneentreden. Ze banen zich moeizaam een weg tussen het publikum. Chammeretti verzoekt ze de ene na de andere in de po te knijpen. Krankenzuster Gisela Azzerbach, laat zo iets niet passeren en geeft hem één. Tegelijk onstaat een slagerij want Chameretti laat zich nooitmaals van een vrouw slaan. De chaos benuttend verzoekt Fiechemann zich door het gedrangel heen te te werken. “Als nu mijn sluitmossel maar niet verzegd.”

De grote wijde wereld ligt op wanneer Fiechemann de deur van het oudersthuis achter zich in het slot vallen hoort. Waarheen nu, het geeft weinig mogelijkheden, al zijn geld wordt door vrouwdirektorin Daimler verwalten en zijn zonen wonen niet in het gelijke oord. Hij denkt na. Wellicht is het heilsleger voorlopig een lozing. Hij zou zijn zoons aanroepen kunnen. Maar hij kent ook hun vrouwen, akelige personen, die het tamelijk hoog in de kop hebben en hem als niet recht gescheid aanschouwen. De kans dat ze hem opnemen is niet aanwezend. Alzo denkend loopt Fiechemann tegen een vrouw met een kopdoek. “Kijk waar je loopt oude geitenboemser”, snuit ze hem aan. “Ontschuldiging”, mormelt hij. Het donkert en geen geld in de tas, nog niet maar een grootje, maakt het leven niet aangenamer. Hij kijkt naar de schouwvensters, vooral een heeft het hem aangedaan: een vlezerij vol worsten en schenken. Het maakt hem hongerig. Hoe graag mocht hij een stuk zwartbrood met landschenken verspijzen.
"Waarheen? Waarheen?"
Hij loopt de vlezerij heenin: “Kunt U wellicht zeggen waar ik de heilsarmee vinden kan”.De vlezer kijkt nog niet maal op: “Pak je, jij oude, mieze bedeler. Het geeft te veel van jullie soort. Niet arbeiden en durend de hand ophouden. Weg van hier!” 

 “Ik mocht bloot weten waar ik het heilsleger vinden durf.”

“Hou af en komt hier nooitmaals terug.”

Fiechemann mocht eerst maal zeggen dat voor hem als Professor Doktor Doktor deraardige spraak niet gewenst was, maar op eenmaal viel hem iets anders in: “Herinnert U zich vrouw Fiechemann, vrouw Isolde Fiechemann?”

“U meent vrouw Fiechemann, de vrouw van heer Professor Doktor Doktor Doktor Fiechemann. Zeer aangename kunde. maar...”

“Ik ben Professor Doktor Doktor Fiechemann.”

“U bent heer Professor Doktor Doktor Doktor Fiechemann? Hoezo,wathalf.......Ontschuldiging, maar zoiets versta ik niet, U komt mij voor als...”

“Als een oude, mieze bedeler, jawel, dat zei u daareven.”

“Ontschuldiging, veelmaals ontschuldiging, ik had u niet wederherkend, wat is...?

“Geen oorzaak, heer vlezer, zoiets kan nu eenmaal passeren. Ik meen: dat men iemand na jaren niet wederherkent. Ik ben nadat, mijn vrouw verstorven was, in een oudersthuis te lande bekomen, dat ben ik heden ontvlogen.”

“Dat is ja een schande, heer Professor Doktor Doktor Doktor Fiechemann. Wathalf bent U gevlogen?”

“Dat kunt U niet verstaan, maar aksepteert U van mij dat het gans slim is. Er heerst daar een schrikkenheerschap wie in een koncentratielager.”

“En wat hebt U nu voor?”

“Geen bleek vermoeden. De vrouwdirektorin verwoudt mijn geld, ik kan mijn zonen nog niet maal aanroepen.”

“Zelfsverstandelijk kunt U dat, U kunt mijn verspreker benutten! Hier hebt U mijn handje, roept U bloot aan.”

De rust in het oudersthuis is enigermate wederhiergesteld en de krankenzusters Gisela Azzerbach en Philippa Otzenfeld zijn los gegaan om Fiechemann in te vangen. Ze lopen ieder aan een straatkant en schouwen de laden heenin. Hij moet zich toch ergenswaar oponthouden. Het is koud. Het vangt aan te regenen. Niet slim, het niezelt en de stemming van beide krankenplegerinnen zakt.

“Oude volidioot de Fiechemann”, roept Azzerbach naar Otzenfeld, “ anders waren we nu aan het avondeten”.

“Ja, zuurbraden met spetters, verdomd nogmaals”, schreeuwt Otzenfeld, terwijl ze een vlezerij passeert.

Ze schouwt heenin, ziet een gebogene gestalte voor de ladentafel en krijst: ” Daar is hij, het oude zwijn, we hebben hem. Snel hierhier.” Ze stormt de vlezerij binnen: “Jij drekfiguur, terug naar het oudersthuis!” En ze vat Fiechemann, die moeizaam de tasten van het handje van de vlezer beroert, aan zijn magere nek en drukt hem tot de bodem. De vlezer komt hinden zijn ladentafel heenweg, hakbijl in hand: “Wat zal dat in mijn laden? Wat? Een kunde aangrijpen? U denkt toch niet dat ik daarvoor gelovenis geef. Eruit. Laat U heer Professor Doktor Doktor Doktor Fiechemann in rust”.

“Ik heb slechst tweevak mijn doktoraat, niet drievak”, zegt Fiechemann zwakkelijk.

“Maakt ja niks”, zegt de vlezer, “ze zullen U niet aanvatten”.

“Hij is een zeer gevaarlijke patient van onze aanstalt, hij is een verbreker, een pedofiel”, roept Otzenfeld.
“Zelfsverstandelijk. En nog zeer veel meer”, voegt Azzerbach heentoe, die de laden heeneen gerend komt, “gisteren heeft hij zich nog aan het achtjarig dochtertje van een gemoeshandelaar vergrepen. Heer vlezer gelooft U ons, dit verdomde zwijn heeft geen aanstandig knook in zijn lijf.”
In dit ogenblik houdt voor de vlezerij een alradaangedrevenwagen stil met aan het stuurrad vrouw Beheimann begeleid van haar eeuwige schat, de Philippinische poetsvrouw Maria Estrella Nobbeltez, die niet slechts de woning zuiver maakt, maar als immer ook de bezorgingen van de Beheimann draagt.

“Jullie bent geheel verrukt, ik ken de heer Professor Doktor Doktor Doktor Fiechemann als een zeer voorname kunde schoon al vast mijn hele leven, zijn vader was al kunde bij mijn vader”, zegt de vlezer.

De greep in Fiechemanns kanthaken verslapt en hij maakt een verzoek daarvan te komen, maar werpt daarbij de kleine Nobbeltez omver.

Vrouw Beheimann zegt onverschutterd:” Schoon goedennamiddag heer vlezer, ik mocht van U vier steaks, van fijnsten zelfsverstandelijk. En dan mocht ik ook nog wat opsnede: tweehonderdvijftig gram landschenken, van fijnsten zelfsverstandelijk, driehonderd gram kalfsleverworst, van fijnsten zelfsverstandelijk en een half ons bloedworst voor de Nobbeltez hier.

De vlezer heeft de krankenzusters Azzerbach en Otzenfeld de weg versperd, die grimmige verzoeken doen Fiechemann opnieuw vast te grijpen en daarbij allerlei beschuldingen aan Fiechemanns adres uiteren.

“Heer Professor Doktor Doktor Doktor Fiechemann gaat U naar hinden, in mijn bureau, dan schaf ik deze twee volidioten naar buiten, nee ik meen U niet genadige vrouw Beheimann, maar deze twee wijfstukken”, en hij vangt aan Azzerbach en Otzenfeld uit de vlezerij te verdrijven. Luid mekkerend lopen ze daarvan.

Jammerlijk is het handje van de slager waarmee Fiechemann een zijner zonen aanroepen mocht in de slacht verloren gegaan, daardoor vrouw Beheimann met haar kekke stijfeltjes daarop getreden is. De vlezer legt de hakbijl weg, maakt zijn vriendelijkste mijne en vraagt de vrouw Beheimann: “Ontschuldig, vrouw Beheimann, ik was een ogenblik afgelenkt, wat zal het heden zijn?”

“Maakt ja niks heer vlezer, ik weerhaal: ik mocht van U vier steaks, van fijnsten zelfsverstandelijk. En dan mocht ik ook nog wat opsnede: tweehonderdvijftig gram landschenken, van fijnsten zelfsverstandelijk, driehonderd gram kalfsleverworst, van fijnsten zelfsverstandelijk en een half ons bloedworst voor de Nobbeltez hier, ach neen, maakt U van laatste maal zult.”

Nadat vrouw Beheimann heeft afgerekend en met haar eeuwige schat Nobbeltez verzwonden is, beijlt de vlezer zich evenvals naar hinden: “Ach mijn god, heer Professor Doktor Doktor Doktor Fiecheman wat een ellende is U toegestoten en onze vaders kenden zich schoon, Uw vader voer toenmaals een Hork, achtcylinder met zestig paardesterkten. Ik durfde eenmaal met Uw vader meevaren. Dat waren nogmaals tijden, mensenkinderen. Waar is het handje, daarmee U aanroepen kunt.”

“Ik heb het vallen laten, het moet ergenswaar aan de bodem in de laden liggen.”

“Nou dan schouwen we maal naar”, en de vlezer loopt de laden in om gelijk weer heenin te treden: “Verdomd, nogmaal, het handje is gans kapot, iemand is er opgetreden. Het was een geboortedaggeschenk van mijn vrouw, dat doet mij ja leed.”
Fiechemann mormelt: “Mij evenvals. Ik borduur het zeer, heer vlezer.”

“Nou ja wanneer U weder tot geld komt, schik ik U schoon de rekening. En om tot het geld te geraden, roept U nu eerst uw zonen aan. Sluitelijk hebben we ook nog een normale telefoon, geeft U mij de nummers.”

“Ik ben gans door en ander, ik kan ze me niet herinneren.”
“Maakt ja niks, dan roepen we het telefoonambt aan.”
In dit ogenblik klinkt de ladenklingel en roept iemand: “Waar is het zwijn?”
Fiechemann schrompelt te samen: “Dat is de vrouwdirektorin.”
“Snelstens in de koelcel met U”, en weinige ogenblikken later staat Fiechemann inmidden van dode brokken vlees.
De vlezer loopt naar voorne: “Wat mocht U van het zwijn, genadige vrouw? Iets gerookt?”

“Stelt U zich niet zo dom, ik kom voor de Fiechemann. Mijn ondergestelde en oudersthuisarts hier, heer Georg Eteysembourg, heeft het dwangjak waarin we hem thuis transporteren meegebracht. Waar is hij? Waar is de Fiechemann?”

“Doet me bijzonders leed, genadige vrouw, hij is niet hier, hij is daarvan gelopen.”
"U liegt me aan, U heeft hem ergens opgeheven. Kom Georg, wij schouwen maar naar!”

“Niets daarvan, dat gaat tegen het reinheidsgebod, dan kan schoon ieder kunde wel in mijn vlezerij hieromstampen. Dat geeft het niet”, en de vlezer grijpt opnieuw naar zijn hakbijl.

“Pak de berustigingssprits Georg en geef het domhoofd een injectie, daarmee wij het geschaft rustig inspecteren kunnen.”

De vlezer heft zijn bijl: “Een schrede nader en ik hak toe. Uitendat gebruik ik maar op een knopje te drukken en de politie is binnenhalf drie minuten in het geschaft.”

“Stelt U zich niet zo dom voor, U versteekt een uiterst gevaarlijke verbreker en dan denkt U dat de politie U terzijde staat? Beneemt U zich niet zo lacherlijk”, zegt vrouwdirektorin Daimler.

Eteysembourg doet een aangrijp met de sprits.

Maar de vlezer, die voor jaren meeglijder was van een vechtclub, weet de aangrijp te pareren en de sprits praalt van de hakbijl af. Eteysembourg verzoekt zich aan de ladentafel vast te grijpen, praagt zijn kop tegen de gevrorenkast met diervoeder en steekt eer hij het bewustzijn verliest uit verzien met de rest van de afgebroken spritsnaald vrouwdirektorin Daimler in de schenkel.

“Ziet U varkenhond, wat U nu maakt”, weet vrouw Daimler uit te stoten, voordat ze tesamen breekt. De vlezer beijlt zich naar hinden om Fiechemann uit de koelcel te bevrijen. Vriezend over al zijn glijders zwenkt deze de koelcel uit.

“Ddddat is ja vvvvruchtbaar, nnniet uittttehouden, hheer vvvlezer. Wwat hhebt U mmet dde vvrouwdddirektorin ggemaakt?”
“Die ligt met haar aangestelde op de bodem.”

Door alle oprijging verzegt Fiechemanns sluitmossel maal weer en een doordringend gerucht trekt door de laden, wanneer twee schutmannen het geschaft heenintreden, gewaarschuwd door vrouw Beheimann, die eenmaal buiten het voor gewichtig gehouden had de noodroep aan te roepen.

“Wat is dan hier loos?”, vraagt de ene. “Twee lieden aan de bodem en een gerucht alsof iemand zich bescheten heeft.”

“Stemt”, zegt Fiechemann, “dat was ik.”
“Maar die daar”, wijzend op de vrouwdirektorin en Eteysembourg, “zijn toch niet in onmacht geraden, wegen het gerucht?”, vraagt de andere schutman.

“Nee, nee”, zegt de vlezer, ”die mochten deze heer, Professor Doktor Doktor Doktor Fiechemann, afvoeren en dat geeft het niet, ik laat mijn kunden niet afhanden komen, wat denkt U schoon?”

“Altijd met de roe, altijd met de roe, lieve heer vlezer. Vertelt U, bieten, wat gepasseerd is, mijn collega Hennem gaat intussen een krankenwagen voor de twee verlatenen hier bestellen. Maak het maal, Gerhard”, zegt de oudste schutman. “Roep maar aan. En vertelt U bieten.”

Opgerijgd begint de vlezer de geschiedenis te vertellen. Hoe Heer Doktor Doktor Doktor Fiechemann, die hij schoon kende toen Heer Doktor Doktor Doktor Fiechemanns vader anno daartemaal een achtcylinder Hork voer, het oudersthuis waar hij leefde nadat zijn vrouw, een zeer goede kunde, ontvlucht had, hindeheergezet door eerstmaal twee krankenzusters en daarna door deze twee aan de bodem liggende figuren, openbaar de oudersthuisdirektorin en de aanstaltsarts, die niet slechts Heer Doktor Doktor Doktor Fiechemann, maar ook hem met een sprits bedrogen hadden. En buitendat hebben ze mijn handje, dat ik als geboortedagsgeschenk van mijn vrouw bekomen had, vernield. Dat mocht ik graag ontschadigd zien, heer wachtmeester."

“Deze twee hebben U bedrogen, heer vlezer? Waarmee dan schoon?”

“Met een sprits met een berustigingsmiddel en toen is de ene omgestort en heeft de andere uit verzien in de schenkel gestoken.”

“Maar het kan toch niet zo zijn dat het berustigingsmiddel zo’n gerucht heeft?”
“Nee, nee, nee, heer schutman, dat ben ik, mijn sluitmossel is gans kapot en ik...”
“En U bent?”
“Ik ben Doktor Doktor Fiechemann, zeer aangenaam” en Fiecheman steekt zijn hand uit.

“Schoon goed, schoon goed, wellicht kunt U, wanneer de krankenwagen komt, maal meevaren. Tot zuiver maken, meen ik.”

“Nee, om godeswillen, nee. Niet met die vrouwdirektorin tesamen in een krankenwagen!”

“Hebt U zuivere onderhozen mee, Heer Doktor Doktor?”, vraagt de schutman.

“Doet me leed, die heb ik niet. Alles is hindegelaten in het oudersthuis.”

“Ik heb achter in het geschaft nog wel iets tot aantrekken, Heer Doktor Doktor Doktor Fiecheman, en ik heb daar evenvals een douchecel tot zuivermaken. Ik word het U wijzen.”

“Een goede idee, maakt U dat maal”, zegt de politie.

Fiechemann beijlt zich naar hinde en trekt zich uit. De besmette kleden werpt hij op een hoop. Hij laat het warme water over zijn lijf lopen en springt de kak weg. Hij voelt zich gans opgelokt en vangt zogaar aan met zingen: “Zwartbruin is de hazelnoot en zwartbruin ben ook ik, zwartbruin moet mijn made zijn, graat zoals ik.” Overgaand in een lied dat Fiecheman zich uit de krijg herinnert: “Bruin als de aarde is ons kleed, bruine soldaat in zware tijd”.

Er wordt op de deur van de douchecel gepocht: “Heer Doktor Doktor Doktor Fiechemann hier hebt U een voorschoot en een zuivere onderhoos.”

Weinige ogenblikken later loopt een als vlezer wedergeborene Fiechemann de laden in, graat in het moment als de vrouwdirektorin en haar ondergestelde per baar het geschaft verlaten en met schreeuwende sirene per krankenwagen tot het hospitaal worden afgetransporteerd.

“Nu mocht ik graag Uw geschiedenis horen”, zegt de jongere schutman, “of mocht U het liever op het ambt maken?”

Fiechemann aarzelt en kijkt de vlezer aan.
“Mijnwegen maakt U het hier, heden komt toch geen meer in het geschaft.”

“Waar zal ik bloot aanvangen. Nu ja. Weet U wanneer mijn vrouw verstorven is, ben ik in een oudersthuis gegaan, in aanvang ging het schoon, maar na en na is het lager daar gans verslimmerd. Het heerste daar een echt schrikkenheerschap en heden ben ik gevlogen en toevalligerwijze bij onze eermalige vlezer in laden heengekomen. Maar ze hebben me nagezet: eerst twee krankenplegerinnen en daarna de vrouwdirektorin en de oudersthuisarts.

Men heeft mij vals beschuldigd: ik zou een verbreker, zogaar een pedofiel zijn. De heer vlezer heeft mij ieder maal verdedigd en wanneer de arts mij met een berustigingsmiddel wilde omleggen is hij gestruikeld en heeft hij met de sprits de vrouwdirektorin in haar schenkel gestoken en is zij bewustloos geraden.”

“Wie is gestruikeld? De vlezer of de arts? En wie heeft gestoken? De vlezer of de arts?”

“De arts, zelfverstandelijk, de vlezer had een hakbijl, geen sprits”, antwoordt Fiechemann. “En heer vlezer heeft de aangrijp met de sprits gepareerd met zijn hakbijl.”

“Heeft de heer vlezer wellicht de oudershuisarts met zijn hakbijl getroffen? Ik mocht dat heel nauw weten, verstaat U?” zegt de jonge schutman.

“Dat versta ik schoon, de heer vlezer heeft mij geschut, geschut voor de aangrijp met de sprits.”

“Ja, ja maar daardoor kunt U een ontoeverlate getuige zijn, Herr Doktor Doktor Fiechemann, U kunt vooringenomen zijn.”

“Vooringenomen, ik vooringenomen? ik ben in mijn ganzenleven nog niet vooringenomen geweest en ik laat me dat van geen zeggen. Vooringenomen? Nu zowat!”

Fiechemann wist zich Zwitserland van zijn sterren en grijpt zich aan het hakblok hinde de ladentafel vast, hij snapt naar adem en zwenkt op zijn benen.

“Nee, om hemelswillen,nee!” schreeuwt de vlezer. “U kunt niet gans eenvoud daarvan gaan. Blijft U hier, Heer Doktor Doktor Doktor Fiechemann.”

Maar Fiechemann glijdt tot de bodem.

“Tweevak doktor bieten schoon, heer vlezer, niet drievak, heer vleeee.....”