1.12.22

Doedelzak

 

De doedelzak is in de Punjab geen inheems instrument, maar de Britten hebben zo'n stempel, in eerste instantie op de militaire muziek van hun koloniën, gezet, dat je van Ghana tot Fiji doedelzakken vindt. Schotse doedelzakken, wel te verstaan, compleet met de zak in tartanruit. In de Punjab kunnen doedelzakbandjes ter opvrolijking worden ingehuurd voor bruiloften en parijen.

TAAL

 

Het lokale dialect van Münster heet masematte, een woord dat in het jiddisj handelen betekent. Jaren geleden bezocht ik een vriend in Münster, toen hij de deur voor me opendeed werd ik te enthousiast begroet door zijn bullterrier, die ik tot kalmte maande met "Koest keilew", waarop mijn vriend informeerde: "Du sprichst Masematte?" Nou nee, ik gebruikte het jiddisje woord voor hond. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt en 's avonds gingen we naar een café, waarvan de eigenaar vloeiend in het masematte was. Hij begon met een zin waarvan ik de betekenis moest achterhalen: "Roin mal wat dat Osnik schmust?" Roinen ist gucken, schmusen ist sagen, aber Osnik ist kein jiddisches Wort, ich kenne es jedenfalls nicht." "Osnik heisst Uhr." "Aha: gucke mal wie spät es ist."
Maar hoe komt het dat het Münsters dialect jiddisje woorden kent? Het werd me al snel duidelijk dat de geschiedenis van masematte verbonden is met de veehandel in Münster en vergelijkbaar is met het dialect van Winschoten: joodse handelaren spraken jiddisj en dat werd door iedeen die er omheen bivakeerde deels overgenomen. Maar ook het Rotwelsch, de dieventaal leverde een bijdrage en soms is de herkomst van een woord niet meer te achterhalen, want waar komt dat merkwaardige Münsterse woord voor fiets "Leeze" vandaan? Wie meer over masematte wil weten, probeer de eigen uitgave van Margret Strunge en Karl Kassenbrock uit 1980 te achterhalen: "Masematte. Das Leben und die Sprache der Menschen in Münsters vergessenen Viertel".

LUISTER

  


Listen to the music

BONZEND

 

Op en neer bonzend met oude auto's door Wales, ik mis dat toch wel in het  goyse dorp met geiwe.


1930

  

Heren droegen een hoed in de jaren dertig.

Te water

 

Dit is een Amphicar, het eerste deel van het woord slaat op amfibie en de auto kan zowel dienen als voer- en als vaartuig. Deze Amphicar uit 1965 stond aan het eind van een lange reeks van dergelijke wagens ontworpen door Hans Trippel (1908-2001). De eerste, na een aantal prototypes, dateert uit 1934 en had een viercylinder Adlermotor en aandrijving op vier wielen, daarna werd een zescyinder Opelmotor geïnstalleerd om  uiteindelijk weer een  Adlermotor te benutten in een type met voorwielaandrijving, ook werd een  luchtgekoelde achterin geplaatste Tatra V8-motor gebruikt. Trippel had inmiddels de Bugattifabriek in Molsheim, in de bezette Elzas in gebruik, de Wehrmacht koos echter voor de goedkoper te bouwen Volkswagen "Schwimmwagen". Na de oorlog verscheen een door Trippel ontworpen  kleine auto, geen amfibie, met een achteringeplaatste tweecylinder Zündappmotor, de geplande productie zou plaats vinden in Stuttgart en er werden zelfs licentieverdragen gesloten met de Troll Plastik- og Bilindustri in Noorwegen (daar gebouwd met een met een luchtgekoeldetweecylindertweetactmotor van Gutbrod) en met de S.I.O.P. (Société Industriel de l'Ouest) in Frankrijk (daar gebouwd met een luchtgekoeldetweecylindermotor van Panhard), maar in Noorwegen bleef de productie beperkt tot vijf exemplaren, in Frankrijk was het succes, waar  verschillende modellen werden geïntroduceerd, iets groter en werd de auto onder de naam Marathon in 1954 en '55 in Parijs geproduceerd.  Hand Trippel zelf was inmiddels teruggekeerd naar zijn oude thema, een amfibie en in 1959 stond op de autosalon in Geneve een nieuw amfibievoertuig, de Eurocar, die uiteindelijk als Amphicar, eerst in Lübeck en vanf 1962 in Berlijn, in productie ging. Op  de weg  haalt de met een Triumphmotor uitgeruste Amphicar 105 km/u, in het  water 12 km/u. Uiteindelijk zijn er tot 1968 slechts 3878 exemplaren gebouwd.

POST enzo.

 

Meteen achter de locomotief liep de wagen  van de posterijen, zodoende hoefde het personeel van  de post niet te zoeken naar het rijtuig.


  
 


Helemaal achteraan  de trein liep een begrafeniswagen waarin behalve de dode in een afgesloten compartiment ook de naaste familie plaats had.  
Dubbeldekkers,  voor het verkeer rond Parijs, waren voor  1900 al in gebruik bij de Franse staatsspoorwegen.