3.8.23

Hitzig & Brünstig 3

Philip Hengst en Ernst van Stierum rookten allebei hetzelfde merk sigaretten, Camel blauw, maar dat was dan ook het enige wat ze gemeen haden. Philip reed een Triumph TR6 en Ernst een MG B en eigenaars van die Britse automerken verdragen elkaar niet.  Ernst mompelde wanneer hij Philip zag, maar wel zo duidelijk dat deze het hoorde: "Moffrikaanse kutkar", wat sloeg op het feit dat de Duitse firma Karmann iets van doen had gehad met het carrosserie-ontwerp. Hij had ook een paar keer opgeblazen Solex geroepen, hij noemde elke motorfiets een Solex en wist dat Triumph oorspronkelijk een motorfietsfabrikant was. Hij stond onder de motorkap van zijn MG gebogen en veegde net de olie van zijn peilstok toen Philip langs slenterde. "Wat had die klootzak in het vooronder? Dat was geen viercylinder B, maar iets veel groters. Iets enorms. Maar wat?" Ja, wat? Want zo eenvoudig was het niet om te ontdekken wat er onder motorkap van de MG schuil ging, zodra Philip Hengst maar even de parkeerplaats van Skihotel “Hitzig und Brünstig” op dreigde te lopen, zoals vanmorgen, sloot Ernst van Stierum de motorkap van  zijn MG, dit keer nota bene met de oliepeilstok nog in de hand. Dat betekende dat Ernst van Stierum de motorkap weer moest openen. Philip Hengst slenterde weg, zijn blik strak gericht op de ramen van het skihotel, waarin Ernst van Stierum en zijn  MG gespiegeld te zien waren. Op het moment dat de motorkap openging zou hij op een holletje, net alsof hij iets vergeten was, terug lopen om een blik in het motorcompartiment van de MG te werpen. Jawel, de motorkap ging open, Philip Hengst draaide zich razendsnel om en holde naar de ingang van het hotel, waar de MG vlak voor geparkeerd stond, maar Ernst van Stierum zag hem aankomen en sloot, nog steeds met de peilstok in de  hand, de motorkap. “Die Van Stierum was toch een enorme oetlul”, dacht Philip, maar hij realiseerde zich ook dat hij iets anders moest bedenken om te weten te komen wat de MG voortbewoog. De gedachte dat Van Stierum een enorme oetlul was, was tevens Philip Hengsts allerlaatste gedachte, want op het moment dat Ernst van Stierum opnieuw de peilstok in het motorblok van  de MG stak weerklonk een enorme knal die niet alleen de MG vernietigde maar  eveneens Skihotel Hitzig und Brünstig met alles dat zich binnen zijn muren ophield. Er ontstond een enorme chaos, zodat Kriminalkommissar Willy Vögeln, die het onderzoek naar de oorzaak ging leiden, voor een geweldige opgave stond. Uiteindelijk bleken slechts twee mensen de ramp te hebben overleefd: Henk-Jan de Kater, omdat hij stevig doorstappend op het moment van de ontploffing de besneeuwde alpenweide van een naburig dorp betrad en Gudrun von Dönsk, die het geluk had, op zoek naar bedwantsen, zich op het ogenblik van de ontploffing onder haar slaapstede te bevinden.

 

2.8.23

Chrysler

 

De jaren dertig betekenden wel innovatie door grote autoconcerns, Chrysler beet het spits af met zijn "Airflow", volgens het verhaal omdat een van de ontwerpers in 1927 een aantal vliegtuigen van de Amerikaanse luchtmacht  zag vliegen en besloot een voorbeeld te nemen aan de bouw daarvan. Er kwamen in 1934 drie types, alle met achtcylindermotoren: de Airflow Eight, de Airflow Imperial en de Airflow Custom Imperial. Er was niets mis met de auto, maar er onstond het gerucht dat de Airflow niet deugde. Andere Amerikaanse fabrieken zagen  hun productie na het magere 1933 met 60% zagen stijgen, terwijl dat percentage bij  Chrysler maar 20 was. De fabriek probeerde, het eerste jaar produceerde Chrysler 11292 Airflows, met veel reclame het image van de wagen te verbeteren, toch liep de productie terug. In 1936 (met een aangepaste - wat tradioneler - grille) werden maar 6275 Airflows gebouwd. Het kan zijn, de onderste model is dat van een taxi, dat in laatsgenoemd jaar de Airflow met een flinke korting aan taxibedrijven werd geleverd, maar dat is een suggestie mijnerzijds, want ik heb daar geen gegevens over kunnen achterhalen.

Hitzig & Brünstig 2

Gudrun von Dönsk kwam altijd uit Hodenfels am Schwiemler aangereisd, niet omdat ze daar woonachtig was - ze woonde immers in Münster - maar omdat haar broer daar woonde en dan was ze ook weer voor een jaar van hem af. Ze had sinds twee jaar het Duitse Geilenkirchen op aanraden van Alida Weidema - Tochtig verruild voor het Friese Donkerbroek en sprak sindsdien een aardig mondje Nederlands. Ze zei net tegen Philip Hengst dat ze buitengewoon gesteld was op reinheid, en zuiverheid. "Vanzelfsprekend", beaamde Philip, het kan in mijn  beleveniswereld  nergens schoon genoeg zijn." "Weet U wat ik zo schlim vind, bedwantsen, daar gruw ik zeer van". "Dat kan ik me levendig voorstellen." "Die beestjes vindt men in elk hotel en het zou mij niet verrassen dat ze ook tot hier in Oostenrijk zijn doorgedrongen en men kan er niets tegen maken. Het is schrikkelijk, vindt u ook niet, heer Hengst? " Nou, heer Hengst vond het ook, al had hij in zijn hele leven nog nooit een bedwants gezien. "Weet u wat ik altijd doe zodra ik weder heim ben?" Philip Hengst luisterde. "Ik was al mijn zaken, zelfs mijn onderwas, die ik niet eenmaal heb aangehad." "En dat helpt?' vroeg de Philip Hengst. "Zelfsverstandelijk", antwoordde Gudrun von Dönsk.

Het was hoofdzakelijk prietpraat in de hotellobby waarmee ze iedere ochtend de tijd vulden, wachtend op hun partners, de rest van de dag spraken de hotelgasten elkaar niet. Philip Hengst wachtte op zijn vriendin Elsbeth van de Hunkering en Gudrun von Dönsk en Hetty de Hond - van de Loops wachtten op Foekje Ruizinga en Alida Weidema - Tochtig. Laatst genoemd kwartet zou zich vervolgens, de lange latten over de schouder, naar de oefenpiste begeven waar skileraar Ulrich Stampfer hun nu al voor het zevende jaar de grondbeginselen van het skiën trachtte bij te brengen.  Philip wilde met Elsbeth een tochtje met de Triumph maken naar Hodensack am Bumsersee, er werd geen sneeuw verwacht, dus als het een beetje meezat, zouden ze zelfs open kunnen rijden. 

Frans-Frits en Frits-Frans waren al buiten en wachtten op de rest van de Scrotumpjes,voor vandaag stond een bergwandeling op het programma, waar de tweeling weinig trek in had. Ze vermaakten zich met het vervoegen van zelf verzonnen Duitse werkwoorden.
"Ferkelen", riep Frits-Frans, "ich ferkele, ich ferkelte, ich habe geferkelt". "Ik vind ich bin geferkelt mooier", zei Frans-Frits. "Schweinhund", zei Frits-Frans "Geert Wilders ist geschweinhund."  Op dat moment passeerde Henk-Jan de Kater, in leren korte broek en stevige bergstappers: "Pardon? Schweinhund?" Ik laat me door jullie niet uitschelden." "Nee, meneer dat doen we niet, wij zijn op zoek naar niet bestaande Duitse werkwoorden, schweinhund leek mij leuk, net als dirndlen", zei Frans-Frits en Frits-Frans vulde aan "Ich dirndle, ich dirndlde, ich habe gedirndld." "Ik vind ich bin gedirndld mooier", zei Frans-Frits. Henk-Jan bedacht zich een ogenblik en vulde aan met ich ameise, ich ameiste, ich habe geameist." "Prachtig", riep Frans-Frits,  "ich habe fick geameist." "Dat is onzin, het moet ich habe Ameisen gefickt zijn en dat bestaat al." "Maar niet in het Duits!"

1.8.23

Bliid

 


 moai efter oppe Mercedes

Vernegehalte

 

Die somber ogende, want matzwart geschilderde, auto hieronder heeft qua vorm m.i. een hoog Jules Vernegehalte. Hij dateert uit 1902 en werd gebouwd door William C. Baker, die de nodige faam genoot als bouwer van electrische auto's in Cleveland (Ohio). Een van zijn klanten was Thomas Edison (foto links: Edison in zijn eerste auto uit 1901). Snelheid was een belangrijk verkoopargument in de eerste jaren van de automobiel en de jacht op het wereldsnelheidsrecord sprak helemaal tot de verbeelding. Op 13 april haalde Leon Serpollet in een door hem gebouwde stoomauto in Nice een snelheid van 120 km/u. Baker wilde dat record verbeteren met een electrische auto, dat lijkt vandaag de dag merkwaardig nu eindelijk de door verbrandingsmotoren aangedreven auto's door electra of gedeeltelijk door electra voortbewogen auto's worden vervangen, maar voor 1900 werd de strijd om het wereldsnelheidrecord juist geleverd met electrische auto's gebouwd door Jeantaud en Jenatzy.

De electromotor van bovenstaande auto uit 1902 was achterin geïnstalleerd en dreef met kettingen de achteras aan, de motor werd gevoed door veertig accu's die rond de chauffeur, Baker zelf, en zijn achter hem gezeten assistent waren geplaatst. Baker was ervan overtuigd dat zijn "Torpedo" gemakkelijk meer dan 200km/u zou kunnen halen. De auto was, als allereerste, voorzien van veiligheidsgordels en dat was maar goed ook, want tijdens de recordpoging raakte de auto het spoor bijster raakte en belandde in het publiek. Twee toeschouwers vonden de dood, Baker en zijn assistent werden gearresteerd, maar op een borgtocht van $15 vrijgelaten. De snelheid kort voor het ongeluk moet boven de 165 km/u gelegen hebben, maar werd niet als een wereldsnelheidsrecord geclaimd. Pas eind 1904 werd deze snelheid door een auto met benzinemotor gehaald.

Hitzig & Brünstig

 

De dames Foekje Ruizinga, Alida Weidema - Tochtig, Hetty de Hond - van der Loops en Gudrun von Dönsk haden elkaar toevallig op een skivakantie in Oostenrijk ontmoet. en daarna gingen de dames ieder jaar medio februari gezamenlijk naar Skihotel Hitzig und Brünstig in Großrammig, waar de eigenares, Frau Elfriede Krolsch hun bij aankomst met 'ein Kännchen Kaffee und Streuselkuchen' opwachtte.
De laatste weken van februari was het hotel ieder jaar "voll belegt". De eersten die arriveerden waren de drie Nederlandse dames, ze werden van het dichtstbijzijnde station per auto opgehaald door Franz Brünstig, het niet al te pientere manusje-van-alles en de enige nog in leven zijnde nazaat van één van de stichters van het hotel, alhoewel dat in 1865 slechts de naam "Dorfskneipe" verdiende. Twee dagen later kwam Frau Gudrun von Dönsk uit Münster aangereisd, meestal tegelijkertijd met Henk-Jan de Kater uit Kampen. Hij vertoonde zich nooit op de piste van Großrammig, hij hield het bij stevige bergwandelingen, die hij steevast in authentieke "Lederhosen" ondernam. Tegen de avond van dezelfde dag reed ook de suv van de Van Scrotumpjes uit Castricum het parkeerterrein van Skihotel  Hitzig und Brünstig op. Zij hadden drie kamers nodig, één voor de ouders, één voor  de zeventienjarige tweeling Frans-Frits en Frits-Frans en één voor de drie dochters van 15, 12 en 9.
De volgende ochtend, hij had de hele nacht doorgereden, kwam Philip Hengst met zijn Triumph TR6 en elk jaar, zo leek het, een nieuwe vriendin, maar het kon ook zijn dat dezelfde vrouw ieder jaar van kapsel veranderde. De Triumph was wel steeds identiek. Heel laat in de middag arriveerde de schuchtere Wietze van Rheu. Pas donderdagavond ging hij 'los', wanneer de lokale Musikkapelle Hochfickenburg in het Skihotel Hitzig und Brünstig  voor de gasten speelde. Het muziekgezelschap had in 2009 zijn honderdjarig bestaan gevierd en had oorspronkelijk zelfs K.u.K. - Kaiserlich und Königlich - in de naam mogen voeren, Franz Joseph zelf had het die titel verleend, nadat het in 1912 bij een "volkstümliches Fest" de eerste prijs had weten te behalen. Dirigent van Hochfickenburg was de notaris van het naburige Ranzen am Hornbach, Dr. Dr. Adolf Fögeln.
De enig overgebleven kamer ging 's avonds om half twaalf naar Ernst van Stierum, die met zijn Ierse vriendin Georgina Rutting per MG B uit Brussel, waar beiden voor veel geld iets Europees verrichtten, kwam aangereden. Elfriede Krolsch had twee keer gedreigd Van Stierum de deur te wijzen, de eerste keer omdat hij bijna slaande ruzie maakte met Philip Hengst, nadat hij denigrerende opmerkingen had gemaakt over diens Triumph, de tweede keer toen moeder van Scrotum om een andere kamer had gevraagd voor de tweeling, die 's nachts  niet had kunnen slapen omdat, zo zeiden ze, de mensen in de kamer naast de hunne de hele nacht naar een tenniswedstrijd hadden gekeken: het gekreun was niet van de lucht geweest. Moeder van Scrotum had meteen begrepen toch noch Andy Murray noch Serena Williams een balletje hadden geslagen. Van Stierum en Rutting hadden daarna onderdak gekregen in een annex van "Hitzig und Brünstig".
Oorspronkelijk was de annex een paardenstal geweest.
Nu stond in het hoofdgebouw, de echte herberg, een kamer leeg. Maar ook daarvoor meldde zich een vaste gast, Georgette d' Enchaleur uit Lascif sur Sournois, een wat verlopen typetje, dat al te graag verkondigde dat ze van zeer oude Franse adel was en zich het liefst ophield in de nabijheid van Gudrun von Dönsk. Haar Duits was niet om aan te horen, maar ze wist alle andere gasten duidelijk te maken "das was in die Doitsche Sprache 'von', in die Franzoisische Sprache 'de' war und das darumme Frau von Dönsk und sieselbst sehre vornèhm und adlisch waren." De enige die haar op het oog een gewillig oor leende was Wietze van Rheu, maar madame of mademoiselle (de andere gasten waren het oneens over haar al dan niet huwelijkse staat) sloeg ook bij hem hardnekkig toe vanwege het 'van' in zijn naam. Hij had haar proberen duidelijk te maken dat "van" in Nederland geen enkele betekenis had, maar daar wilde ze niets van horen: "Herr van Roi, Sie sind sehre sikèr adlisch, nischt nur vonwegèn 'van', abèr auch vonwegen Roi, Sie sind wahrschènlik von lignée extraconjugale, wie sagt man auf Deutsch, ausserehelische Abstammung, vielleicht von Franzoisische König, kann sein Louis XIV sogar".
Om het voor haar alleenreizende gasten wat gemütlich te maker - Frau Krolsch gebruikte zelfs het woord gesehlich - had ze steeds tafeltjes voor twee personen gedekt, tot Van Rheu een immense weerzin begon te vertonen tegen d'Enchaleur, die iedere ochtend beneden kwam in een wolk "Esprit du Printemps" en prompt bij hem aan tafel kwam zitten. Van Rheu had, behalve van haar geur en gestamel over adel, schoon genoeg van haar kleding. Waarom een vrouw van ver in de vijftig zich meende te moeten kleden als een tiener uit de jaren zestig met een paardenstaart en grote strik was hem een raadsel. Van Rheu vroeg Frau Krolsch 's avonds na het diner de volgende ochtend  een tafeltje voor hem alleen te dekken. Maar toen hij 's ochtends eindelijk alleen zijn glaasje sinaasappelsap dronk en zijn maanzaadbolletje at, schoof d'Enchaleur met Kännchen Kaffee en banaan toch weer bij hem aan. Aarzelend begon hij: "Ich möchte gerne, sehr gerne, alleine sein". Dat moedigde d'Enchaleur echter aan haar moederlijke instincten in  de strijd te gooien: "Abèr Herr van Roi was kann es sein, habèn Sie nisht kut keshlavèn, sind sie vielleisht malade?" 

Elzas

Wie er oog voor heeft leest in Elzas de geschiedenis van de straat of in ieder geval van de gevels. Er staat 'EPICERIE' maar daaronder, bedekt met een dunne verflaag, is nog heel goed 'Kolonialwaren' te zien. 
In 1871 werd Elzas Duits, in 1918 weer Frans, bij  het uitbreken van Wereldoorlog Twee opnieuw Duits en toen die krijg was afgelopen toch weer Frans. 
Het is een van de laatste dagen van  mijn  vakantie, dertig jaar geleden, ik bekijk op een stukje land vlakbij een garage een Latil, een vierwiel gestuurd en aangedreven voertuig. De garagehouder informeert of ik het interessant vind. dat vind ik en hij nodigt me uit naar binnen want daar heeft hij nog meer oude voitures. Ons gesprek gaat uiteindelijk niet meer over auto's en op zeker ogenblik zeg ik dat dit de eerste normale conversatie is die ik in veertien dagen heb met een Alsacien. Hij kijk me aan en zegt: u verbaast u? Ja, zeg ik. Hij begint aan een uitleg:  het heeft alles te maken met de geschiedenis van de streek. Ik ben in 1939 in dienst gegaan als Frans soldaat, maar toen Elzas werd ingelijfd bij het Derde Rijk werd ik opgeroepen als Duits soldaat en heb ik uiteindelijk dienst gedaan bij de bezettingsmacht van Noorwegen. Ik weet inmiddels dat u Nederlander bent, stel dat ik daar als bezetter was geweest, dan had u toch nooit met me willen praten. Onze geschiedenis maakt ons huiverig om gesprekken met vreemdelingen aan te gaan. Ik begrijp het en zeg dat veel mensen twee zaken niet goed in beeld hebben: Frankrijk viel in de Tweede Wereldoorlog uiteen in drie stukken, Vichy, het Noorden van Frankrijk en Elzas-Lotharingen. De historie van dat laatste stuk is zelfs in sommige geschiedenisboekjes niet terug te vinden. Ik heb ook gelezen dat het verzet hier het hevigst was, omdat het een herhaling was van wat er na 1871 is gebeurd, dat de Duitsers het gebruik van  Frans verboden, zeg ik. Dat klopt, vult hij aan. Maar onze eigen taal is, zeg maar, een Duits dialect en dat maakt ons dan weer verdacht in Franse ogen.
De strijd om de taal van Elzas in stand te houden duurt nog alijd voort, zanger/liedjesschrijver René Egles doet tegen de klippen op zijn best en Roger Siffer heeft het oude kinderliedje "D'r Hans im Schnokeloch" in een nieuw kasje gestoken. Of het zal helpen?