4.11.07

Fiechemann 35

“Waar zal ik bloot aanvangen. Nu ja. Weet U wanneer mijn vrouw verstorven is ben ik in een oudersthuis gegaan, in aanvang ging het schoon, maar na en na is het lager daar gans verslimmerd. Het heerste daar een echt schrikkenheerschap en heden ben ik gevlogen en toevalligerwijze bij onze eermalige vlezer in laden heengekomen. Maar ze hebben me nagezet: eerst twee krankenplegerinnen en daarna de vrouwdirektorin en de oudersthuisarts.
Men heeft mij vals beschuldigd: ik zou een verbreker, zogaar een pedofiel zijn. De heer vlezer heeft mij ieder maal verdedigd en wanneer de arts mij met een berustigingsmiddel wilde omleggen is hij gestruikeld en heeft hij met de sprits de vrouwdirektorin in haar schenkel gestoken en is zij bewustloos geraden.”
“Wie is gestruikeld? De vlezer of de arts? En wie heeft gestoken? De vlezer of de arts?”