26.8.10

De hut

Ik ben nog altijden op de vlecht voor de direkrise van het oudereendhuis, het aldermooist zou het wezen als ze denken zou dat ik dood was vanzelfs. Maar weeromkomen doe ik niet, geen haar op de hol die daar omdenken aangeeft, dus de afrennende week was ik in de hut. Niet in in de spitkeet lijkals uit mijn jongheid in de Wouden, maar in een soort van buitenhuis dat mijn gastlui de hut noemen. Het was er zeer noffelijk en ik had de tijd aan mijzelf, maar om mij niet opvallen te laten ging de man op skielers voor mij te boodschappen. Want hij is naast een een bedreven muziekmaker en zanger ook een buitengewoon sportief man, hij slaat wat op de fiets om en gelijk ik al zei is hij ook een skielerd. Het was al in een hoek van Friesland, waar ik geen kunde aan heb en het waaide er ook een prote, de man van de hut heeft er zelfs een zangetje over geschreven, want je hebt hier altijden in de wind op. Daar hebben we in de Wouden geen last van gelukkig genoeg. Ik ben begonnen te breidzen, want een mensje moet wat om handen hebben, niet? Ik heb de man om een breidpatroon gevraagd en hij heeft zijn vrou er op uitgestuurd, want zelf wonen zij in een grote plek niet ver voort. Ik maak een peersen vest, dat is mooi voor van de winter en staat nog fleurig ook. Van de week kwam de man langs met een vriend, een andere muzikus met frissels op de kop, die is niet van hier, maar van een eiland in de Karaiepen. Ze hebben voor mij een konsert gegeven, dat was prachtigmooi en ik heb ze allebeide een tuit gegeven.

Vrou Ymkje Sinnema - Meindertsma, op de flitter