Thuis moet mijn vader het Leeuwarder dialect gesprokken hebben, doorspekt - al klinkt dat woord in dit verband merkwaardig - met flink wat jiddisj, mijn grootmoeder gebruikt in een brief, die ik van haar bewaar, in plaats van uitglijden "schleidern". Men was arm. De dochters van de overburen, de Cohens, hadden geen eigen bed, maar sliepen gescheiden door een plank in de bedstee, Cohen vertelde over de nachtelijke condities als volgt: "Rooske met de plank, Betteke met de plank." Cohen poetste schoenen voor het station. Als de gewone schooltijd was afgelopen ging mijn vader naar de Joodse school, klaarblijkelijk was dat soms heel vervelend en dus werden er jongens van de gewone school ingehuurd om veel lawaai te maken voor de vensters van de lokalen van de Joodse school, zodat er van les geven niet veel terecht kwam.

Les vijf is bewaard gebleven. Ik vond hem in het "Gebedenboek der Israeliëten voor het geheele jaar met nauwkeurige aanwijzingen der voorschriften bij de gebeden in de Nederlandsche taal" uit 1906. Veel interessanter is het feit dat mijn vader het gebedenboek als een soort agenda heeft gebruikt, zo weet ik dat hij op 8 october 1915 (7 Tisjrie 5676) "barmitswo" werd, er op 25 juni 1916 een buurtfeest was en hij nog geen veertien jaar oud in juli 1916 mee ging helpen de kost te verdienen, er staat "17 Juli 1916 Ik kom bij baas". Die zelfde Joodse jongen liet bij zijn dood zo'n 7000 boeken na.