Goed, daar is die andere naam voor 'old timey', hillbilly, al zullen de muziekgeleerden, zoals we van geleerden gewend zijn, ongetwijfeld verschillen tussen de twee weten op te merken. Het was trouwens een merkwaardige wereld, die van de grammmofoonplaat bedoel ik, in de jaren twintig. Je had een aparte markt voor de gekleurde medemens, dat waren in de Verenigde Staten de zogenaamde race (sic) records. Voor al de immigranten, die zich nog niet helemaal thuisvoelden, werden eveneens opnamen gemaakt: Iers, Pools, Joods, Fins, Mexicaans, Zweeds, Tsjechisch, noem maar op. Veel van die markt bleef er trouwens na de de beurskrach van 1929 niet over: de mensen konden hun geld wel beter gebruiken. Maar protocountrymuziek, zeg hillbilly, bleef in trek, het publiek daarvoor was klaarblijkelijk groot genoeg. In 1924 nodigde Columbia violist/kippenboer Gid Tanner uit voor een opnamesessie samen met de eveneens uit Georgia afkomstige gitarist Riley Puckett, het duo werd twee jaar later uitgebreid met een ander duo (Clayton McMichen, viool en Fate Norris, banjo) dat als deel van een groepje furore had gemaakt op het radiostation WSB in Atlanta onder de naam 'Lick the Skillet'. Het nieuw gevormde kwartet ging verder als Gid Tanner and his Skillet Lickers en maakte tussen 1926 en 1931 tal van grammofoonopnames.
16.2.15
Lege fles
Even terug naar de tijd toen countrymuziek nog geen steelguitar kende en country nog echt landelijk betekende, later toen het onversterkte instrumentarium overging tot het spelen van bluegrass, raakte 'old timey', want zo wordt deze plattelandsmuziek genoemd, een beetje in het verdomhoekje, maar bij tijd en wijle duiken er in de Verenigde Staten bandjes op, die oude tijden doen herleven, zoals de 'Empty Bottle String Band' uit het oosten van Tennessee. Het bandje doet het repertoire van Gid Tanner en zijn Skillet Lickers uit de jaren twintig herleven met 'Quit kicking my dog around', 'How many biscuits can you eat' was ooit een hit voor de 'Coon Creek girls' en 'John Henry' (the steel drivin' man) werd in de loop der jaren door heel wat mensen gezongen.
1966
Ieder jaar, toen de PAC-traditierit gereden werd, eindigde het feest op het circuit in Zandvoort. De rit startte op het Lucas Bolwerk in Utrecht en ging via Breukelen (kasteel Nijenrode) via Vreeland, Uithoorn, Aalsmeer, Hilegom en Heemstede naar Zandvooort. Tijdens de XIe rit in 1966 maakte Ernst Niewenhuis deze foto op het circuit. Groter tegenstelling tussen twee wagens is nauwelijks denkbaar een Hanomag "Kommisbrot" en een Hispano-Suiza. Hanomag had de naam "Kommissbrot" (het best te vertalen met "soldatenkuch") niet zelf verzonnen, die naam gaf het Duitse publiek aan het autootje, waarvan zo'n kleine 15.000 exemplaren werden geproduceerd door een fabriek die ook stoomlocomotieven afleverde. Kinderen zongen over de "Kommissbrot": "Ein bisschen Blech, ein bisschen Lack und fertig ist der Hanomag". Hier een kort filmpje met één van de vijftig overgebleven exemplaren (waarom je achter een voorruit een stofbril nodig hebt, is mij een raadsel).
15.2.15
Rosengart
'n Beetje autofolder hoort in kleur en dat had Lucien Rosengart (1881-1993) goed begrepen en wie een tikkeltje in het autowereldje thuis is, ziet op bovenstaande foto ogenblikkelijk wat de basis is van zijn "SuperTraction" in 1939: de plaats van de versnellingshandle - in het dashboard - verraadt het: een Citroën "Traction Avant". Het was niet Rosengarts eerste auto die op basis van een andere gemaakt was, hij begon met de bouw van auto's onder eigen naam, nadat hij in de jaren twintig eerst bij Citroën en daarna bij Peugeot orde op financiële zaken had gesteld. Rosengarts eerste was een in licentie gebouwde Austin "Seven" en zelfs ver na de oorlog toen Austin de al lang niet meer produceerde werd de motor ervan nog altijd door Rosengart gebruikt. In de jaren dertig werd daarnaast een Adler "Trumpf " in licentie geproduceerd.
In 1939 komt dan de "SuperTraction", met de Citroënmotor en uitteraard met voorwielaandrijving, die keert na de oorlog niet terug, omdat Citroën het gebruik van zijn 1911cc-motor verbiedt (Deutsch en Bonnet zijn eveneens slachtoffer), grote Rosengarts van na de oorlog krijgen een Ford-V8-motor en heetten "Supertrahuit". Er werden maar een paar exemplaren gebouwd. De afbeeldingen komen uit een folder van de "SuperTraction".
Groene kaas 4
Ziekte gooide mijn plan in de war om tegelijkertijd met het Grutte Pierfestijn op 29 januari j.l. in Kimswerd de stukjes over 'griene tsiis' (groene kaas) op dit blog te zetten en door de haast was ik niet in staat het kleine notitieboekje door te nemen dat ik ooit in 1985 in Donaueschingen aanschafte in een tweedehandsboekwinkel. Ik was er binnengestapt om een boek uit mijn jeugd te kopen, maar dan in de originele taal: 'Die Heiden von Kummerow'. Uiteindelijk zag ik daarvan af, de staat van het boek was slecht, er misten zelfs een aantal bladzijden. Op een tafel lag een klein notitieboekje. Op de eerste pagina had iemand geschreven 'Meine Ahnen und mein Leben'. Ik bladerde het door en kocht het, ik meen, voor vijftien mark. Het was het verhaal van Hannes Hanpelmann door hem zelf eind jaren vijftig opgeschreven. Ik heb er al uitgeciteerd, maar wat ik vergat de melden is dat hij in zijn Nederlandse tijd - tijdens de oorlog - worstelde met de uitspraak van Scheveningen en erger nog met het woord Schenkenschans, een buurtschap in Leeuwarden en terecht meldt hij dat er weinig verschil bestaat tussen het laten uitspreken van 'Bûter brea en griene tsiis, wa't dat net sizze kin is gjin oprjochte Fries' en Schenkenschans. Ik vond dat ik dat toch even moest memoreren.
14.2.15
Salmson
Net als het foldertje van Isotta-Fraschini was dit blaadje uit 1955 van de eens zo bekende Franse fabriek Salmson beneden de waardigheid. Grote faam genoot Salmson tijdens de Eertse Wereldoorlog, eerst als bouwer van motoren en daarna als contructeur van vliegtuigen.
In 1919 werd met automobielbouw begonnen, eerst door in licentie G.N.'s te vervaardigen, een Britse cyclecar, waarvan de naam ontleend was aan de contructeurs H.R. Godfrey en A. Frazer-Nash. Het eerste eigen ontwerp (van Emile Petit) dateert van 1921 en de wagentjes waren simpel te herkenen aan het Andreaskruis in de grille (Monsieur Hulot en vacances).
Gedurende jaren twintig waren de cyclecars immens populair en niet alleen in Frankrijk, maar na het verschijnen van de M.G. Midgets daalde verkoop, ook van Salmson, drastisch. De fabriek probeerde het daarna in de toch al overvolle luxe klasse, dat bleek geen overweldigend succes en in de jaren vijftig verdween het merk. De zwanenzang was de 2.300 Sport, die vanaf januari 1954 werd verkocht en voor de nodige sportieve successen zorgde, maar het eenvoudige foldertje uit 1955 toont dat het in feite voor Samson het einde in zicht was.
Subscribe to:
Posts (Atom)




