25.10.07

Fiechemann 25

Nadat vrouw Beheimann heeft afgerekend en met haar eeuwige schat Nobbeltez verzwonden is, beijlt de vlezer zich evenvals naar hinden: “Ach mijn god, heer Professor Doktor Doktor Doktor Fiecheman wat een ellende is U toegestoten en onze vaders kenden zich schoon, Uw vader voer toenmaals een Hork, achtcylinder met zestig paardesterkten. Ik durfde eenmaal met Uw vader meevaren. Dat waren nogmaals tijden, mensenkinder. Waar is het handje, daarmee U aanroepen kunt.”
“Ik heb het vallen laten, het moet ergenswaar aan de bodem in de laden liggen.”
“Nou dan schouwen we maal naar”, en de vlezer loopt de laden in om gelijk weer heenin te treden: “Verdomd, nogmaal, het handje is gans kapot, iemand is er opgetreden. Het was een geboortedaggeschenk van mijn vrouw, dat doet mij ja leed.”