skip to main |
skip to sidebar
Decauville 4

In
Frankrijk werden in de jaren dertig heel wat autorails geproduceerd,
de meeste door autofabrikanten. Berliet, Bugatti, Renault, om maar een
paar te noemen, lieten zich niet onbetuigd. Dat was niet erg handig,
want voor al die verschillende railvoertuigen moesten verschillende
reserve onderdelen voorradig zijn. Daar kwam verandering in toen de
Acéries du Nord in Maubeuge in 1937 met de zogenaamde "Standard"
(foto boven) kwam. Ook Decauville leverde een aantal van de
Standards, ieder voorzien van twee twaalfcylindermotoren van Renault.
Decauville leverde intussen ook drie voertuigen aan Indochina en drie
voertuigen voor het meterspoor in Bretagne, ieder met twee dieselmotoren
van Saurer. Bovendien kreeg de fabriek een opdracht van de
Nordcompagnie onderzoek te doen naar railvoertuigen voorzien van een
propeller, waarmee ingenieur Kruckenberg in Duitsland succes had: op 21
juni 1931 veroverde de "Schienen Zeppelin" het wereldrecord voor
railvoertuigen met 230km/u. Bij de Schienen Zeppelin zat de propeller
achter, het was een zogenaamde duwschroef. Bij Decauville kwamen er
twee propellers één voor en één achter in een tweedelig voertuig. In
1937 kregen de ingenieurs Dumas en Châtel de opdracht voor zo'n
apparaat. Er werden twee tweetact dieselmotoren van Peugeot
geïnstalleerd. De totale lengte van het voertuig was 44,5 meter, Een
voordeel boven de Schienen Zeppelin was dat het voertuig niet gekeerd
hoefde te worden, Er konden 91 passaggiers worden vervoerd, de
machinist zat in een zogenaamde kiosk boven het voertuig. Er zijn
proeven gehouden tussen Parijs en Compiègne in 1939, gedurende de oorlog
stond het voertuig in Landy, daarna werd het vernietigd. Het voertuig
heeft nooit deel uitgemaakt van het wagenpark van de SNCF.
